Evenementen

Individuele loopbaanbegeleiding en betere samenwerking kan uitval terugdringen

Datum
24 maart 2016
Plaats
Amsterdam
Locatie
Felix Meritis
Aanvang
14.30 uur
Eind
18.15 uur
Onderwijs in goede banen, beter door de keten! Dat was het credo van de jaarlijkse CINOP Lentesessie 2016. Afgelopen donderdag 24 maart gingen vijftig bestuurders van vo, mbo en hbo in gesprek over actuele vraagstukken in de keten vo-mbo-hbo en de route naar de arbeidsmarkt.


Afgelopen donderdag 24 maart gingen vijftig bestuurders van vo, mbo en hbo in gesprek over actuele vraagstukken in de keten vo-mbo-hbo en de route naar de arbeidsmarkt.


Foto's Lentesessie


“We moeten nadenken over waar we met het onderwijs heen willen. Als het stelsel ons in de weg zit, dan tikken we het gewoon omver. We moeten ervoor openstaan om een aantal zaken te hervormen. Bijvoorbeeld dat afnemers, opleiders en beroepsgroepen veel meer samen gaan nadenken over hoe je docenten opleidt.” Een waardevolle conclusie van Paul Rosenmöller van de VO-raad over de toekomst van de keten tijdens de CINOP Lentesessie.
 


Tijdens drie gespreksrondes spraken studenten, voorzitters van onderwijsraden, OCW beleidsmakers, vertegenwoordigers vanuit het bedrijfsleven en de politiek over doorstroom, flexibilisering van het onderwijs en de toekomst van de keten.


Doorstroom
Het eerste thema, de doorstroom, is bijzonder actueel, gezien het feit dat steeds meer bedrijven moeite hebben om geschikte werknemers te vinden. In zijn inleiding benoemt hoogleraar en wetenschappelijk directeur van het Expertisecentrum Beroepsonderwijs Rob Martens, dat vooral veel leerlingen in het hbo afhaken of verkeerde keuzes maken. Zowel vier van de tien mbo’ers als vier van de tien havisten gaat na een jaar iets anders doen dan de opleiding waarmee ze begonnen zijn. Mbo’ers verlaten daarbij relatief vaak het onderwijs, terwijl havisten vaker een andere studie beginnen of wisselen van hogeschool. Dat switchgedrag van havisten is echter niet zonder risico: meer dan zeventig procent van hen zien we niet terug bij de diploma-uitreiking vijf jaar na instroom. Bas Derks - vanuit de directie mbo van het ministerie van OCW - maakt zich daarbij vooral zorgen over de ontwikkeling dat er zich ook etnische scheidslijnen aftekenen.



Kim Wiggers van de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) erkent het doorstroomprobleem: “Studenten willen weten hoeveel kans ze op een baan hebben. We zien veel switchgedrag en helaas ook afhakers.” Volgens Huib de Jong van de Hogeschool van Amsterdam heeft het hbo zich de laatste jaren opnieuw uitgevonden. “Als je echter het eindniveau van de opleiding verhoogt, verhoog je ook het instroomniveau van de opleiding. De aansluiting van vo, mbo en hbo is daardoor verslechterd.” Hij duidt het kwalitatieve probleem: hoe begeleiden we leerlingen op een adequate manier naar de arbeidsmarkt? “We moeten mbo- en hbo-docenten veel meer met elkaar in contact brengen.”


Ton Hillen, lid van de Raad van Bestuur van Heijmans, mist vooral een stevige educatieve basis. Daarnaast heeft hij kritiek op de vroeg-selectie: “We laten kinderen naar mijn beleving veel te vroeg een keuze voor hun opleiding maken. Hierdoor worden te vroeg veel wegen afgesloten.” Een stelling waar Paul Rosenmöller het volmondig mee eens is. Hij signaleert als een van de belangrijkste zwaktes in ons systeem dat de overgangen buitengewoon kwetsbaar zijn; van po naar vo en van vo naar mbo, en vervolgens weer van mbo naar hbo.

Volgens directeur VO bij OCW, Roel Endert, is dit hét grote vraagstuk van het Nederlandse onderwijsstelsel. “We moeten voortdurend zorgen voor prikkels om op die verbindingen te letten. Onderwijsinstellingen zijn nu nog te vaak sectorintern gericht. Hoe kun je die aandacht verleggen?” Jan van Zijl van de MBO Raad ziet een mogelijke oplossing in het samen ontwikkelen - bijvoorbeeld van loopbaanbegeleiding en -oriëntatie - met het vo. Zo ontstaat een klimaat waarin we meer naar elkaar toe groeien. Ook het breder opleiden van mbo’ers die daardoor beter zijn toegerust voor de dynamische arbeidsmarkt, ziet Van Zijl als een oplossing.


 


Flexibilisering van onderwijs
Het tweede gespreksthema betreft flexibilisering van onderwijs. Daarover is Paul Rosenmöller stellig: “het huidige voorgezet onderwijs is te saai voor leerlingen. Er is wel een beweging gaande naar meer uitdagend onderwijs waarbij talenten worden geprikkeld. Die beweging moet je faciliteren. Dit is hét gesprek op veel scholen.” Hij denkt dat het verstandig is na te denken hoe een diploma op maat als instrument een bijdrage kan zijn aan verdere talentontwikkeling. “Er gaat nu te veel talent verloren. Een vorm van maatwerk naar talentontwikkeling moet altijd in een rijke sociale context van de school werken: scholen zijn communities.” Vanuit de zaal komt de opmerking dat gepersonaliseerd leren niet individueel leren betekent. “Ook in een gepersonaliseerde route kom je anderen tegen. Leren doe je altijd samen met een docent en met medeleerlingen.”
 
Op het moment dat je het onderwijs gaat flexibiliseren, vraagt dat een strakke organisatie, stelt Huib de Jong van de Hogeschool van Amsterdam. “Het diploma op de arbeidsmarkt moet communicabel zijn. Kijk daarbinnen naar iedere individuele student, om een leerlijn te krijgen die past bij de student. In iedere hogeschool in Nederland is de relatie met de maatschappelijke omgeving enorm toegenomen.”
 
Roel Endert van OCW herkent de oproep naar meer uitdaging in het onderwijs, maar wil ook goede ontwikkelingen benadrukken. Bijvoorbeeld de introductie van het profielwerkstuk. “Ook binnen de huidige structuur is het mogelijk een vorm te vinden dat de leerlingen vakoverstijgend bezig is.” Ton Hillen van Heijmans denkt dat het onderwijs ook uitdagender kan in samenspraak met het bedrijfsleven. “Daar liggen kansen voor de toekomst.”


Toekomst van de keten
De derde ronde van de CINOP Lentesessie gaat in op de toekomst van de (onderwijs)keten. De boodschap van het panel is dubbel: handhaaf het huidige stelsel, maar wijzig het wel op een aantal wezenlijke punten, zoals de te vroege selectie van leerlingenstromen en leerroutes.
Tanja Jadnanansing van de PvdA merkt dat veel mbo’ers angstig zijn over hun toekomst. “Voor heel veel leerlingen komt de selectie op een te vroeg moment. Er is echter geen generieke oplossing.” Tweede Kamer-lid voor de VVD Anne-Wil Lucas, vindt dat niet het aanbod van de scholen, maar de vraag van leerlingen centraal moet komen te staan. Tanja Jadnanansing denkt ook aan maatwerk in het onderwijs: “Door kinderen die meer kunnen, ook meer uit te dagen. Vaardigheden worden steeds belangrijker, maar dat gaat gepaard met mijn wens dat vaardigheden veel professioneler moeten worden aangepakt in het onderwijs. De vraag is: zijn docenten nu al voldoende toegerust om de vaardigheden zoals we ze straks wensen aan studenten over te brengen?”
 


Deze CINOP Lentesessie maakt duidelijk dat er van po tot en met wo de roep klinkt om modernisering van onderwijs, meer maatwerk en minder standaardisering. Naast onderzoek vraagt dit de komende jaren om veel inspanning van alle partijen. Regionaal moeten verbindingen worden gemaakt met de relevante actoren en organisaties. Dat betekent dus ook dat er meer afstemming nodig is tussen de sectoren en scholen op terreinen als curriculumontwikkeling, docentencompetenties en examinering. Simon Theeuwes van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) denkt dat er nog veel winst te behalen valt: “Er wordt nu nog te weinig samengewerkt om de student op de juiste plek te krijgen.” Een mooie uitdaging voor de toekomst om de handen ineen te slaan.



Lees ook het verslag van MBO-Today.

 
Top